Symbool van de bovenaardse
'geur van heiligheid' (Hebr. lebonah; Gr. libanos; Lat. tus).
Het gaat om de hars van de heester Boswellia carteri, die in de
Oudheid uit Zuid-Arabië werd geïmporteerd, maar die ook in India
en Oost-Afrika gewonnen kan worden.
Eerbetuiging aan de godheid;
zuivering; suggereert het 'subtiele lichaam' als oprijzend en
een spirituele substantie; de 'geur die vergoddelijkt'; een
middel om het 'dubbele' te passeren tijdens de communicatie
tussen de mens en goden; een middel om de ziel naar de hemel te
voeren; gebed dat oprijst naar de hemel; de geur van deugd en
het aroma van een zuiver leven.
Wierook is ook bezwerend,
jaagt demonen op de vlucht en drijft kwade geesten uit. Als de
hars onttrokken aan bomen en beschouwd als een zielesubstantie,
is hij de 'tranen van de grote moeder'.
Pijnboom en ceder waaruit de
hars wordt gewonnen hebben grote vitaliteit en men ging ervan
uit dat ze beschermden tegen corruptie, deze eigenschappen
worden gedeeld door hun zielesubstantie.
Wierook werd ook beschouwd
als een symbool van, en vervanging voor, een brandoffer.
In het oosten werd wierook
ritueel gebruikt bij offers en het afweren van demonen, in
Egypte in de dodencultus, evenals in Babylonië en Perzie en op
Kreta.
In Rome speelde wierook een
rol bij dodenplechtigheden en in de keizercultus; wierook werd
daarom oorspronkelijk door de christenen afgewezen, maar is
sinds de 4e eeuw ook hier in de liturgie opgenomen.
Ook in het profane leven was
het welriekende reukwerk in trek.
De opstijgende rook gold als
symbool van de ten hemel opgaande ziel of van het tot God
opstijgende gebed.
Joden gebruikten het alleen
aan de God toekomende wierookoffer en als symbool van de
aanbidding, dat ook diende tot verzoening van de vertoornde God.
De drie koningen brachten de pasgeboren Jezus wierook uit het
morgenland; in de Openbaring van Johannes (5:8) hebben de
vierentwintig oudsten 'gouden schalen, vol reukwerk; dit zijn de
gebeden der heiligen'.
'Door de wijding vooraf wordt
de wierook sacramentaal, dat ook een lustratieve
(reinigende) werking heeft. Het kruisgewijs zwaaien van een
thuribuum (wierookvat) verwijst naar het kruisoffer, het
rondzwaaien moet de heilige gaven als God toebehorend
afzonderen' (Lurker 1987).
De wierookvaten waren vaak
versierd met reliëfs van de feniks of van de 'drie jongelingen
in de vuuroven', wier lofliederen te midden van het vuur met de
wierookwolken werden vergeleken.
Wierookvaten werden als
attribuut afgebeeld in handen van grote Priesterfiguren uit het
Oude Testament (Melchizedek, Aäron, Samuel), van de heiligen
Stefanus, Laurentius en Vincentius en van de heilige boetelinge
Pelagia.
Het bewieroken van lijken bij
begrafenissen heeft als praktisch nut dat het de geur van
ontbinding intoomt, maar is later ook tot symbool van de ziel
geworden (opstijgende rookwolken).
De Maya's hielden reukoffers van
verbrande hars van de kopalboom (Pom; Protium copal). Harskorrels
lieten hun geur 'tot midden in de hemel stijgen', en wierook
werd ook wel als 'hersenen van de hemel' aangeduid. De
wierookvaten waren naar een god Yum Kak (heer van het vuur)
genoemd.
In Oost-Azië kent men wierook
(Chinees: hsiang) uit geurend sandelhout, dat vroeger in schalen
werd verbrand, terwijl tegenwoordig staafjes gebruikt worden,
meestal van Indische herkomst. De afvallende as werd wel
verzameld en als preventief middel tegen ziekten geslikt. Dit
reukwerk werd vermoedelijk met de verbreiding van het boeddhisme
in Oost- Azië bekend en is sinds die tijd alom in gebruik.
In de Europese rituele magie,
waarbij kosmische geesten, zoals die van planeten, ritueel
bezworen werden, speelde allerlei reukwerk een grote rol,
vermoedelijk aanknopend bij de culten van laatantieke
mysteriesekten. Ook de rook van narcotica steeg hierbij op, om
visionaire ervaringen op te roepen; in geschriften is onder meer
sprake van alot, wierook, mirre, paradijshout, sandel en
mastiek. Ook in de geneeskunde wordt beroking (fumigatie) toegepast, om miasma's (kwalijke uitwasemingen) te verdrijven.
Wierook gebruikt als eerbetuiging aan de
godheid en zuivering, suggereert het 'subtiele lichaam'
oprijzend als spirituele substantie; de 'geur die
vergoddelijkt'; een middel om het 'dubbele' te passeren tijdens
de communicatie tussen de mens en goden; een middel om de ziel
naar de hemel te voeren; gebed dat oprijst naar de hemel; de
geur van deugd en het aroma van een zuiver leven.
Wierook is ook bezwerend,
jaagt demonen op de vlucht en drijft kwade geesten uit. De
hars onttrokken aan bomen wordt beschouwd als een zielesubstantie,
de 'tranen van de grote moeder'.
Pijnboom en ceder waaruit de
hars wordt gewonnen hebben een grote vitaliteit en men ging ervan
uit dat ze beschermden tegen corruptie, deze eigenschappen
worden gedeeld door hun zielesubstantie.
Wierook werd ook beschouwd
als een symbool van, en vervanging voor, een brandoffer